MijnStadMijnDorp is een project van Historisch Centrum Overijssel en is mede mogelijk gemaakt door de Provincie Overijssel.

Plannen tot droogmaking van de grote meren in de N.W.-hoek in de negentiende eeuw

Verhaal

"Turf is een zeer verwarmende, schoone, duurzaame en in onze Luchtstreek zeer gezonde brand. Het is zeker, dat wij een deel van den grond van ons Land geduurig verbranden, en dat door de toeneemende overdaad thans meer Turf verslonden wordt dan in spaarzamere tijden. ’t Is mede zeker, dat noch de hooge, noch de laage Veenen wederom aangroeijen. Uit dit alles volgt immers dat de Turf van jaar tot jaar moet verminderen. Maar als wij dan eens de uitgedolven landen niet indijkten, en uitmaalden; zou dit dan ook al niet een zeer schadelijk en gevaarlijk verzuim zijn? In uitgedolvene waterpoelen en moerassen kunnen immers geene menschen woonen: en in de Volkrijkheid bestaat het vermogen van eenen Staat".

Bovenstaande tekst ontleenden wij aan het "Vaderlandsch A-B boek voor de Nederlandsche jeugd", uitgegeven in Amsterdam in 1781.

 

 

Toen reeds maakte men zich zorgen over het feit, dat te veel land in water veranderde. Men was reeds begonnen met het droogmaken van de grote meren in Holland, zoals de Wormer, de Purmer en de Schermer. En alhoewel men in onze contreien in die tijd nog naarstig bezig was het laagveen af te graven, speelde men ook hier wel met het denkbeeld door droogmakerijen nieuw en vruchtbaar land te winnen.

Een eerste voorbeeld daarvan vinden we in het archief van de voormalige gemeente Giethoorn en wel in het kopiebrievenboek van de Maire (burgemeester). De betreffende brief is gedateerd op 6 november 1815 en werd gericht aan de Gouverneur (thans Commissaris van de Koningin). Uit de aanhef blijkt, dat de Gouverneur had verzocht om een inventarisatie te maken van de hoeveelheid veengrond geschikt voor het maken van turf.

De Maire deelt dan mede dat: "appromatif in deeze Gemeente alsnog aanwezig zijn 600 morgen veengrond bekwaam tot het uitleeveren van bagger of sponturf" en hij vervolgt met de opmerking dat: "de uitgegraaven grond of water bedraagt 2000 morgens".

De Maire neemt in de brief aan de Gouverneur de gelegenheid te baat om verschillende bijzonderheden over het landschap en het ontstaan daarvan te omschrijven. Zo noemt hij het Giethoornse meer, dat inbegrepen is bij de 2000 morgen uitgeveende grond of water, maar waarvan de oorsprong onzeker is. Tegen de stelling van sommigen, dat het meer ook ontstaan is uit het afgraven van het laagveen (zoals met alle meren in de N.W-hoek het geval is) voert de Maire het volgende aan: "dat tijdens de eerste bevolking het land bestaan heeft uit hoogveengronden, deze daaraf eerst zijn vergraaven en waarna de verveningen van de zogenaamde sponturf (laagveenturf) is begonnen van welker aanvang men met een weinig meer zekerheid iets kan bepaalen, doordien eenige bewijzen aanwezig zijn wanneer de gragten zijn gegraaven geworden, welke zeker zijn aangelegd om de turf daarvan na elders te vervoeren, zijnde ten dien tijde reeds het meer aanwezig." Verder schrijft de Maire, dat het waarschijnlijk is, dat de vervening of afgraving al in de 12e eeuw is begonnen. ln dit verband noemt hij een zeer oud en in zijn tijd nog voorhanden zijnd geschrift waaruit blijkt dat de St. Mertenslieden zich op voorspraak van de bisschop van Utrecht hier vestigden: "want zij zoo woonden in wildernissen en vonden dat margel (hoogveen) dat zwart was en grave dit uit, daar zij van maakten goede brand".

 

 

Na deze uiteenzettingen komt de Maire dan uiteindelijk tot de kern van de zaak door in zijn brief te wijzen op een uitgeveend water, dat bijkans 150 morgen groot is en in het middelpunt van de gemeente gelegen is.

Het wordt aan de westkant bedijkt door de Giethoornsche weg (in de brief de Heerenweg genoemd) aan de noord- en oostkant door het aldaar langs lopende voetpad en aan de zuidkant door "het land van het voetpad na, de weg lopende"....

Uit de bijgaande kaart van 1826 blijkt, dat het bedoelde meertje tegen het Groote Wijde (het tegenwoordige Bovenwiede) is gelegen.

De Maire acht in 1815 dit meertje zeer geschikt voor droogmaking. Bij "gewoon zomer water" is het niet meer dan 4 à 5 voet diep, de grond is zandig en er bevinden zich in het meer smalle stroken land, die bij het bereiden van de ondergrond goed te gebruiken zijn.

"Voor weinige jaren" vervolgt de Maire "hebben verschillende particulieren het droogmalen willen ondernemen, maar aangezien ( ik citeer nu letterlijk) daar geen voorbeelden in deezen omtrek, zooals in de Provincie Holland gevonden worden, ontmoete hetzelve altoos zwarigheid om een fonds bijeen te brengen."

 

 

In het afgelopen voorjaar, zo vervolgt de Maire zijn uitvoerige brief, hebben een aantal particulieren afkomstig uit Giethoorn, Steenwijk, Meppel en Blokzijl het plan weer opgevat. Men dacht een bedrag van f 20.000,- nodig te hebben om de plannen te kunnen uitvoeren. De Maire had een plan van intekening opgesteld, hetgeen bestond uit veertig aandelen van ieder f 500,-, op welk plan weliswaar was ingetekend, maar lang niet voldoende om te komen tot f 20.000,-. De Maire eindigt zijn brief met de opmerking dat er, behalve dit meer, zich in de streek meerdere uitgeveende plassen bevinden die "voorzeker mede geschikt ter droogmaking zijn en voorzeker wanneer men een voorbeeld van goeden uitslag alhier hadde".

De droogmaking van het Wijde begon uiteindelijk in 1828 toen een vijzelwindmolen met droogmalen begon. In 1842 werd het toen droge deel tot akkers bereid. Dit nieuwe land wordt in onze tijd de Giethoornse polder genoemd.

Dat het denkbeeld om tot droogmaking van grotere wateroppervlakten te komen de gemoederen bleef bezig houden, blijkt uit brieven, die enkele tientallen jaren later werden geschreven. De kopieën van deze brieven vonden we weer in het oud archief van de gemeente Giethoorn. Het speelt zich af in het najaar van 1856.

 

 

10 september van dat jaar schrijft de burgemeester een brief aan de Minister van Binnenlandse Zaken, waarvan de aanhef luidt, dat men sinds enige tijd vol is van het denkbeeld om het Beulakerwijde gelegen onder de gemeenten Ambt-Vollenhove, Wanneperveen en Giethoorn door droogmaking in land te herscheppen.

De hulp van de Minister wordt ingeroepen omdat zich moeilijkheden voordoen. Er is voorlopig een bedrag van f 300,- nodig, om aan een ingenieur de opdracht te kunnen geven om de nodige schetsen en berekeningen te maken. De gemeenten Ambt-Vollenhove en Wanneperveen hebben geweigerd hun deel in dit bedrag bij te dragen.

Er wordt de Minister op gewezen, dat het Rijk een groot belang bij de drooglegging heeft, omdat jaarlijks ca. f 5.000,- wordt besteed aan het onderhoud en heiwerk van de wegen en beschoeiingen, die langs het Beulakerwijde lopen.

Voorts stelt de burgemeester in het vooruitzicht dat de opbrengst van de grondbelasting zal toenemen. De brief eindigt met het verzoek aan de Minister om een Rijksingenieur van Waterstaat te belasten met het maken van voorlopige schetsen en berekeningen.

Dan volgt een brief van 1 oktober 1856 gericht aan de Commissaris des Konings, waarin omstandig wordt uitgelegd waarom een brief aan de Minister van Binnenlandse Zaken werd geschreven. Deze brief is een antwoord op een brief van de commissaris van 19 september daaraan voorafgaande. Het lijkt, dat de burgemeester een soort verantwoording moest afleggen.

Tenslotte een brief van 16 december 1856 gericht aan de commissaris des Konings, waarin de burgemeester de eer heeft te berichten: "dat wij (de gemeenteraad) het met Uwe Excellentie eens zijn dat wanneer eenmaal de wensch verwezentlijkt mogt worden om het Beulakerwijde mogt worden drooggemaakt daaronder ook het Belterwijde mogt worden begrepen". Voorts wordt medegedeeld, dat de gemeente Giethoorn bereid is f 100,- bij te dragen in de totale kosten van het vooronderzoek van f 300,-

 

 

De hierbij gevoegde kaart van 1826 werpt nog een vraag op. We zien hier twee grote meren, t.w. het Noorder Beulakerwijde en het Zuider Beulakerwijde. Dit laatste meer wordt in bovengenoemde brief, dus 30 jaar later, het Belterwijde genoemd. Het zou kunnen zijn, dat het Zuidelijke meer zowel de Zuider Beulaker als het Belterwijde werd genoemd en dat de eerst genoemde naam definitief in het Belter Wijde werd gewijzigd.

De pogingen tot droogmaking van de grote meren in de N.W-hoek te komen zijn om onbekende redenen niet doorgegaan. Wel werden in september 1858 nog gedurende negen dagen door Waterstaat werkzaamheden verricht, inhoudende opneming, peiling en in kaart brengen van de Beulaker Weide (let op de spelling), hetgeen, zoals uit bijgevoegd ontvangstbewijs moge blijken een bedrag van f 64,40 kostte. Vanuit ons huidige gezichtspunt bekeken, mogen we er ons in verheugen, dat de beide prachtige meren bewaard zijn gebleven en dat ze niet in vruchtbaar land zijn herschapen. Bijna 200 jaar geleden was de toestand geheel anders.

Uit de eerste door mij aangehaalde brief citeer ik nog het volgende "Hier komt bij dat juist in dat gedeelte der Gemeente, waar dit water zich bevind bijkans geen wijdelanden meer aanwezig zijn en de veehouders zig genoodzaakt bevinden om onder de naburige schoutampten hun vhee te weiden......"

Heden ten dage bestaan er vergevorderde plannen om vruchtbaar polderland in moeras te doen veranderen. Om met Bredero te spreken: "'t Kan Verkeeren."

 

Dit artikel, van de hand van W. H. Dijksma uit Paterswolde, is eerder gepubliceerd in Kondschap nr. 1 maart 1997. Kondschap is het tijdschrift van Cultuurhistorisch Centrum Land van Vollenhove.

 

Trefwoorden:Weerribben, Turf, Beulakerwijde, Droogmakerij, Belter wijde, Wanneperveen, Vollenhove
Personen:w.h. dijksma
Periode:1781-1858
Locatie:Giethoorn
Digitaliseren Embed
Digitaliseren
Embed