MijnStadMijnDorp is een project van Historisch Centrum Overijssel en is mede mogelijk gemaakt door de Provincie Overijssel.

Landwegen, waterwegen, tollen, sluizen en bruggen in Wanneperveen (deel 1)

Verhaal

Wie vroeger Wanneperveen in of uit wilde, moest zijn beurs bij zich hebben. Op landwegen werd namelijk tol geheven, op waterwegen sluisgeld en bij bruggen bruggeld.

Landwegen

Het dorp kende vijf doorgaande landwegen: Nieuwedijk, Lozedijk, Gasthuisdijk, Veneweg en Zomerdijk. De eerste drie waren particuliere wegen. Ze liepen over dijken, die ook wel stouwen genoemd werden, en lagen in de volle lengte over noord-zuid gerichte erven. De dijken dienden als kering van het water dat in de herfst en winter vaak over land vanuit Drenthe het laaggelegen Noordwest-Overijssel binnenstroomde. De Nieuwedijk lag op een van de meest oostelijke erven van Wanneperveen. Deze ging vanaf de Kolk als Driftlaken verder naar Kolderveen.

Zowel de dijken als de wegen moesten door de eigenaren van de erven worden onderhouden. Van het plaatselijk bestuur hadden ze toestemming de gebruikers van de wegen een vergoeding te vragen in de vorm van tolgeld.

Zo verleende schout Edmund van Kalkenstein op 2 april 1764 aan de toenmalige eigenaar van de Nieuwedijk een vergunning voor het plaatsen van een tolboom. Ridderschap en Steden - de Staten - van Overijssel maakten geen bezwaar. Op de Gasthuisdijk en de Lozedijk waren toen al tollen.

 

 

De drie tolgaarders hieven gelijke tarieven. Ze vroegen voor een:

sjees - tweewielig rijtuig - met een paard f 0,075

sjees - tweewielig rijtuig - met twee paarden f 0,10

andere rijtuigen en wagens met twee paarden f 0,10

andere rijtuigen en wagens met drie paarden f 0,15

andere rijtuigen en wagens met vier paarden f 0,20

voer hooi f 0,075

los paard f 0,05

rund boven een jaar f 0,05

rund beneden een jaar f 0,025

varken f 0,0125 (oortje)

schaap f 0,0125

Volgens een lijst van 27 april 1811, opgesteld door schout A.W. Acker, was Geert Joosten van Urk eigenaar van de tol op de Nieuwedijk - destijds ook Oosterstouwe, Geertmansdijk en Geert Joostendijk genoemd -, Michiel Hendrik Klosse van die op de Gasthuisdijk en Roelof van Setten op de Lozedijk.

Nieuwedijk

Door de toenemende hoeveelheid Drents water hadden de dijken en de wegen steeds meer te lijden, vooral de Nieuwedijk. De onderhoudskosten liepen dan ook voortdurend op. Geert Joosten van Urk vroeg de burgemeester – de naam schout was intussen gewijzigd in burgemeester - daarom in 1826 personen van buiten de gemeente niet alleen op de heen - maar tevens op de terugreis tol te laten betalen, hetgeen tot dan toe ongebruikelijk was geweest. De burgemeester legde het verzoek voor aan Gedeputeerde Staten. Dit college wees het af, want de grondwet stond niet toe dat ingezetenen van een provincie werden bevoordeeld boven die van een andere. De Nieuwedijk lag immers vlak bij de Drentse grens.

Van Urk deed zijn veehouderijbedrijf en zijn tol enige tijd later over aan zijn schoonzoon Geert Wolters van der Vegt. Ook deze vond dat hij met de geheven tolgelden niet toe kon en voerde de tarieven op eigen houtje op. Dat leidde uiteraard tot moeilijkheden die hoog opliepen. Van der Vegt negeerde namelijk het bevel terug te gaan naar de toegestane bedragen. Het gevolg was dat het gemeentebestuur het tolhek liet opbreken. Geert diende daarna een klacht in. De officier van justitie in Zwolle schreef het gemeentebestuur op 12 september 1839 dat het te ver was gegaan. Hij zou de klacht evenwel niet in behandeling nemen.

De Nieuwedijkse tolgaarder hield zich vanaf toen aan de tarieven, doch hij nam het kennelijk met het onderhoud van de dijk en de weg niet zo nauw. 's Winters was de weg meer dan eens zo slecht dat er geen rijtuig over kon. Soms viel het zelfs een voetganger moeilijk. Ondanks een veroordeling en dreigementen de vergunning voor tolheffing te zullen intrekken, liet Van der Vegt nog lange tijd afdoende verbeteringen achterwege.

 

 

In 1853 diende Geert een verzoek om verhoging van de tolgelden in. De minister van Binnenlandse Zaken bleek echter niet overtuigd van de noodzaak. Deze gaf toe dat een verbetering van de dijk hoge kosten met zich mee bracht, maar die waren volgens hem te wijten aan achterstallig onderhoud. De tolheffer bleef niettemin volhouden en in 1856 boekte hij enig succes. Voor handwagens, wel of niet bespannen, mocht hij voortaan vier cent vragen. Amper een jaar later boog het college van Gedeputeerde Staten zich over de vraag, voorgelegd door het gemeentebestuur van Wanneperveen, of onder een handwagen ook een kruiwagen verstaan moest worden. Van der Vegt had weer voor klachten gezorgd, want hij liet geen kruiwagen voor niets door. Voor zo'n vervoermiddel liet hij twee cent betalen. Hij bleef dat nog een tijdje doen, nadat hij van Gedeputeerde Staten had vernomen dat zulks niet geoorloofd was.

Lozedijk

Blijkbaar ondervond de Lozedijk minder schade van het hoge water dan de Nieuwedijk. Het is ook mogelijk dat de eigenaren meer zorg besteedden aan het onderhoud. De gebruikers van de weg hadden in elk geval geen klachten of ze bereikten het gemeentebestuur niet. Er trokken vooral Veneger veehouders langs naar hun land aan de Zomerdijk. Verder passeerden er regelmatig voetgangers; bij Doosje legden namelijk de beurtschippers uit Meppel aan, die op Zwolle en Amsterdam voeren. Het kon zijn dat ze een koe op hun pad vonden, want de eigenaar van de tol liet zijn vee op de dijk grazen. Daarom stonden er ook twee hekken: een bij de woning van de pachter van de tol dicht bij 't Haagje en een aan hel eind in de buurt van Doosje. De passanten betaalden bij de pachter, het hek bij Doosje konden ze vrij door; dat hek moesten ze echter wel zelf openen en sluiten.

Gasthuisdijk

Met de Gasthuisdijk, indertijd doorgaans Steenwijkerweg genoemd, was het minder goed gesteld. Op 24 augustus 1824 sloeg in de Roekebosch, een buurtschapje aan die weg, een rijtuig met passagiers om. Het ongeval was voornamelijk te wijten aan grote kuilen en aan overhangende takken van talloze struiken. De commissaris van de koning - toen gouverneur geheten - gaf schout Anthonie van Baak daarom opdracht terstond maatregelen te nemen om zulke ongelukken in de toekomst te voorkomen.

 

 

Veneweg

De Veneweg werd onderhouden door de eigenaren van de aangrenzende percelen. Eigenlijk gebeurde dat dus door de inwoners van het dorp. Zodoende werden de lasten verdeeld over de bevolking. Althans voor het gedeelte van de weg tussen de Kolk en de Kettingbrug, zoals bekend de brug over de Beukersgracht. Vanaf deze brug tot aan Ambt Vollenhove - de grens lag twaalf roeden bewesten het Bonkenhaverbrugje - liep de weg overwegend tussen het Belter en het Beulaker Wiede door. Beide plassen, ontstaan door de stormvloed van 1776, waren eigendom van de dienst domeinen. Tijdens de overstroming van 1825 was genoemd wegdeel  ernstig beschadigd. Het herstel en het onderhoud vroegen zo veel kosten, dat het rijk zich in 1828 genoodzaakt zag de gebruikers ervan te laten bijdragen. Er werden daarom tolhekken geplaatst in de Ronduite en bij de Blauwe Hand. Over de hoogte van de tarieven van deze rijkstollen is weinig bekend.

 

 

Zomerdijk

Over de vijfde Wanneperveense weg, de Zomerdijk, schreef de gouverneur van Overijssel op 26 januari 1824 aan schout Anthonie van Baak: ‘lk heb vernomen dat vanwege de ellendige toestand van passage waarin de weg bij dit voortdurende regenachtige weer zich bevindt, de brievenpost niet dan zeer moeilijk en met gevaar kan passeren’.

Een paar weken daarvoor had de minister van Binnenlandse Zaken en Waterstaat de Zomerdijk tot provinciale weg aangewezen. Er werd vanaf toen meer geld besteed aan het onderhoud. Dat kwam voor een deel uit de opbrengst van een nieuwe tol bij de Beukersbrug. Sluis- en brugwachter Jan van Raalte nam tevens de functie van tolgaarder op zich.

Wegwerkers dichtten de gaten met graszoden en takkenbossen. Afdoende was dit niet; de postkoets kon in regenperioden met moeite Meppel bereiken. De klachten duurden dan ook voort. De gouverneur vroeg zich in zijn brief van 28 november 1828 aan de burgemeester af of de mannen, die met het onderhoud belast waren, zich wel voldoende van hun taak kweten. Bij inspectie van de weg had de ingenieur van de waterstaat geen enkele arbeider aangetroffen, terwijl de wagensporen vol water stonden.

Een jaar of vijftien later werd de weg verbreed en daarna verhard met puin en grind. Korte tijd daarvoor hadden de eigenaren van de aan de dijk grenzende percelen strookjes grond afgestaan. Ze waren bijeengeroepen in de herberg van Egbert Doosje, sluis- en brugwachter in Doosje.

De toltarieven op de Zomerdijk lagen nogal wal hoger dan die op de particuliere wegen. Zo moest voor een rijtuig bespannen met twee paarden op de laatstgenoemde wegen heen en terug een dubbeltje worden betaald en op de Zomerdijk zestig cent. Lucas Massier, die vanuit zijn woonplaats Meppel een diligencedienst onderhield op Zwartsluis, was voor een retour zelfs zesenzeventig cent kwijt. Dat er verschil gemaakt werd, begreep hij niet. Voor zijn diligence liepen immers ook twee paarden. Daarom verzocht hij op 18 augustus 1848 aan Provinciale Staten van Overijssel dat verschil ongedaan te maken. Trouwens, zestig cent vond hij al te veel; twee kwartjes was zijns inziens voldoende voor zo'n tochtje. Maar de heren in Zwolle waren niet bereid voor hem een uitzondering te maken.

 

 

Veel verkeer had de Zomerdijk in die tijd niet te verwerken. Nog in 1899 schreef burgemeester Cornelis van de Stadt dat de dijk zo weinig bereden werd dat de opgebrachte grind los bleef liggen en dat de begroeide bermen zich over het wegdek uitbreidden. Het tolhek op deze weg was ondertussen van Beukers naar Doosje verplaatst.

Waterwegen

De belangrijkste waterwegen die Wanneperveen verbonden met omliggende plaatsen waren de Arembergergracht, de Beukersgracht en de Haagjesgracht. Ze hadden in het zuiden respectievelijk in Zwartsluis, Beukers en Doosje via een schutsluis aansluiting op het buitenwater.

Grachten, sluizen en de daarbij liggende bruggen waren particulier bezit en werden door de eigenaren zelf onderhouden. De Arembergergracht was in handen van een groepje goed gesitueerde Overijsselse burgers, voornamelijk Zwollenaren; de Beukersgracht en de Haagjesgracht behoorden toe aan Wanneperveense veehouders. Als vergoeding voor de doorvaart hieven de eigenaren sluisgeld. Het tarief werd in overleg met het plaatselijk en gewoonlijk ook met het provinciaal bestuur vastgesteld. Bij de bruggen over deze grachten in de Veneweg werd lange tijd bruggeld geheven; bij de Kettingbrug, de brug over de Beukersgracht, zelfs meer dan twee eeuwen.

In het noorden hadden deze grachten aansluiting op wateren in buurgemeenten, eertijds schoutambten. De Arembergergracht liep naar de Vaartsloot in Ambt-Vollenhove, de Beukersgracht naar de Dorpsgracht in Giethoorn en de Haagjesgracht naar de Hoosjesgracht aldaar. 

Bij de vorming van de wieden in 1776 werden aanzienlijke delen van de Aremberger- en de Beukersgracht in grote plassen opgenomen.

Arembergersluis

De Arembergersluis ondervond volgens de eigenaren lange tijd concurrentie van de Beukerssluis. Veel schippers van en naar het noorden zouden over Beukers varen omdat ze bij de vaste brug bij de Arembergersluis de mast moesten strijken, hoewel ze in Beukers meer doorvaartgeld kwijt waren. Dat was onder andere omstreeks 1750 het geval toen Jan Vos de sluis daar in zijn bezit had en kort erna diens schoonzoon Thijs Arens Ruter. Vermoedelijk hebben andere factoren eveneens een rol gespeeld. De brug bij de sluis in Zwartsluis was goed te omzeilen, maar de brug in de Ronduite, ook een vaste, niet of althans moeilijk. Kleine doorgaande boten konden weliswaar ook via Giethoornse grachten verder, doch zo'n tocht duurde lang. Bovendien was de Kettingbrug net als de Ronduiterbrug een vaste brug en het is de vraag of de bruggen in de Giethoornse dijk - Beulakerweg - in die tijd wel ophaalbruggen waren.

Hoe dan ook, de eigenaren van de Arembergersluis vroegen Ridderschap en Steden in 1753 toestemming de vaste brug bij hun sluis te vervangen door een ophaalbrug. Het verzoek werd echter afgewezen.

 

 

Ophaalbrug in de Ronduite

Pas in 1819 mochten de beide vaste bruggen in de Arembergergracht in ophaalbruggen worden veranderd. Niet lang daarna was de nieuwe brug in de Ronduite klaar. Vanaf die tijd hieven de eigenaren hier bruggeld: twintig cent voor grote boten, een dubbeltje voor kleine zoals bokken en dergelijke vaartuigen. Een punter kon er onderdoor, behalve in herfst- en wintermaanden met hoog water.

Herbergier Wicher Jansen Voogt pachtte de brug. Op een bord aan de wal bij zijn huis stond de volgende rijmelarij:

De brug die gaat nu op en neer,

men strijkt geen mast gelijk weleer

maar geeft naar het gemaakte plan

wat geld daarvoor den bruggeman.

Zijn naam is Wicher Jansen Voogt.

Hij zorgt dat niemands keel verdroogt

en tapt voor wie 't ook mag zijn

jenever, bier en brandewijn.

Soortgelijke klantenwervende teksten waren later elders in de Noordwesthoek bij herbergiers nog meermalen te lezen.

In 1826, dus een jaar na de grote overstroming, werd de vaste brug in Zwartsluis eveneens vervangen door een ophaalbrug.

Voor het vervolg van dit artikel klik hier.

 

Dit artikel, van de hand van T.R. Stegeman, is eerder gepubliceerd in Kondschap nr. 2 juni 1993. Kondschap is het tijdschrift van Cultuurhistorisch Centrum Land van Vollenhove.

 

Trefwoorden:Bruggen, Bruggeld, WATERWEGEN, Sluisgeld, Landwegen, Tol, Kondschap, Arembergersluis
Personen:Geert Joosten, T.R. Stegeman,
Periode:1764-1899
Locatie:Wanneperveen
Digitaliseren Embed
Digitaliseren
Embed