MijnStadMijnDorp is een project van Historisch Centrum Overijssel en is mede mogelijk gemaakt door de provincie Overijssel

Jeugdherinneringen aan de Nederlandse Hervormde pastorie te Vollenhove van 1947 tot 1965

Verhaal

Bij het inventariseren van oude foto’s uit de nalatenschappen van mijn ouders, de familie Wolgen, trof ik een foto van hen aan, zittend in de tuin van de Nederlands Hervormde pastorie van het Friese Oudega bij Hemelum in Gaasterland. Op de achterzijde had mijn moeder geschreven, “Oudega september 1947 voor vertrek naar Vollenhove.”

Mijn vader was zojuist beroepen naar Vollenhove als predikant van de Nederlands Hervormde Kerk. Vader, midden dertig, lijkt tevreden in de lens van de camera te kijken. Hij had door naar een grotere kerkelijke gemeente te vertrekken, promotie gemaakt. Sedert 1937 had hij in Oudega gestaan. Mijn ouders waren in 1941 in Utrecht getrouwd. Ik ben in 1943 geboren. Dat was midden in oorlogstijd. Aan die oorlogsperiode heb ik geen duidelijke herinneringen.

In 1947 verhuisden wij naar Vollenhove en namen wij onze intrek in de pastorie aan de Bentstraat 5. Vader zou tot zijn emeritaat in Vollenhove predikant blijven. Er hebben zich wel concrete mogelijkheden voorgedaan in de vorm van een beroep om naar elders te vertrekken maar hij verkoos steeds in Vollenhove te blijven, ondanks een ernstige aanvaring die hij met de kerkenraad had gehad. Na zijn emeritaat zijn vader en moeder steeds in Vollenhove blijven wonen. Vader overleed in 1980 en moeder eind 2009.

 

 

Een andere foto toont de pastorie aan de Bentstraat waarvan de sloop inmiddels in volle gang is. Het is dan 1965. Beide foto’s markeren de periode uit mijn jeugd die ik in Vollenhove doorbracht. Ik heb niet meer bij mijn ouders gewoond in de pastorie aan de Voorpoort die zij inmiddels hadden betrokken.

Met het overlijden van mijn moeder in 2009 werd een periode van ruim 50 jaar afgesloten waarin mijn familie in Vollenhove gewoond had. Ik vond hierin gerede aanleiding wat jeugdherinneringen aan het papier toe te vertrouwen.

Mijn ouders

Mijn vader is in 1909 geboren in het Drentse Anloo, als zoon van een timmerman-aannemer. Grootvader werkte alleen en had geen personeel. Hij bouwde huizen, waarbij hij er steeds voor zorgde dat het geheel voor de winter onder de kap kwam zodat hij tijdens de winter de woning binnen kon afbouwen.

Mijn grootouders verhuisden naar Wildervank, waar vader ook zijn jeugd doorbracht. Hij voltooide de HBS b opleiding aan het wat later het Winkeler Prinslyceum zou gaan heten in Veendam.

Het was een diepe wens van zijn moeder dat hij predikant zou worden. Aanvankelijk zag het daar, gelet op de vooropleiding, niet naar uit. Na eerst korte tijd in Wageningen gestudeerd te hebben, koos hij alsnog voor de theologie. Hij deed staatsexamen gymnasium en studeerde aanvankelijk aan de VU in Amsterdam, maar voltooide zijn studie aan de Rijksuniversiteit te Utrecht, waar hij ook zijn kerkelijk examen aflegde. Na hulppredikant te zijn geweest in Bussum, werd hij in 1937 beroepen naar Oudega waar hij dus tot september 1947 zou staan.

Mijn moeder was de dochter van de directeur van een rederij in IJmuiden, die overleed toen mijn moeder 17 jaar oud was. Na zijn overlijden verhuisde mijn grootmoeder met haar kinderen, mijn moeder en haar twee broers, naar Utrecht, waar de familie van mijn grootmoeder woonde. Toen moeder mijn vader leerde kennen was zij als verpleegkundige werkzaam in het Academisch Ziekenhuis te Utrecht.

De pastorie Bentstraat 5

Wij betrokken in 1947 de pastorie aan de Bentstraat. Het was een uit de jaren zeventig van de negentiende eeuw opgetrokken monumentaal bouwwerk, dat op de hoek van de Bentstraat en de Bisschopstraat stond. Een klassieke pastorie zoals er in die tijd veel zijn gebouwd. De hoofdingang, voorzien van een leistenen stoep met oorspronkelijk drie treden, was aan de zijde van de Bentstraat. Deze hoofdingang bestond uit vleugeldeuren. Deze deurpartij gaf toegang tot een brede met marmer belegde gang, die over de volle lengte van het huis doorliep. Daar kon, wederom door vleugeldeuren, de tuin worden bereikt.

 

 

In de gang waren rechts een tweetal royale kamers en suite en aan de linkerzijde de tuinkamer, allemaal met stuc plafonds, het trappenhuis, toilet, en de keuken. Om in de kelder te komen moest een stenen trap van zeker 20 treden worden afgedaald. De kelder bestond uit twee delen met tongewelven. Vermoedelijk het restant van de vorige bebouwing ter plekke. Dat gold ook voor een oude waterput die ter hoogte van de keuken aan de oostzijde in de tuin lag. Ik heb meegemaakt dat deze begin van de jaren vijftig werd opgegraven om verder te dienen als septic tank. Riolering zou pas enkele jaren later komen.

De keuken besloeg aanvankelijk bijna een kwart van het totale beneden oppervlak van de woning. In de hoek hing een schakelbord waar het toenmalig personeel kon zien uit welke kamer werd gebeld.

Zo hingen midden in de kamers beneden nog schellenkoorden. Ik heb nog een paar jaar meegemaakt dat mijn moeder vanuit de eetkamer naar de keuken belde, waarna het dienstmeisje verscheen om instructies in ontvangst te nemen voor het opdienen van maaltijden of het afruimen van de tafel.

Op de eerste verdieping waren vijf slaapkamers. Mijn kamer, gelegen aan de noordwestzijde, was ooit de kamer geweest waarin Prof. Van Niftrik, later hoogleraar theologie in Utrecht, zijn proefschrift geschreven had zoals hij tijdens een bezoek vertelde.

Twee van de vijf slaapkamers hadden een vaste wastafel. Aanvankelijk was er ook geen badkamer, daarin werd pas later voorzien. Wij kregen toen een “afdankertje” uit de andere pastorie, een boiler met daaronder een kachel, die met hout en briketten werd gestookt. Het geheel was voorzien van een zinken bad. Op zichzelf niet ongebruikelijk voor die tijd. Toen ik eens logeerde bij de toenmalige secretaris van het waterschap, mr. K. Verhoeven, die toen nog aan het einde van de Bisschopstraat bij de oude haven woonde, zag ik dat daar ook nog zo’n gevaarte stond. Ideaal in de winter in niet van CV voorziene huizen, dat wel.

Op de zolder van de pastorie, bevonden zich ook nog een slaapkamer met bedstee en een afgetimmerde ruimte, vermoedelijk voor intern personeel. Boven een deel van de zolder hingen latten waarop de was kon worden gedroogd. Boven de slaapkamer met de bedstee bevond zich een afgemetselde ruimte, die aan de binnenzijde met een luikje kon worden afgesloten en zo onzichtbaar was vanaf de zolder. Een schuilplaats?

 

 

Er was een grote tuin met in het midden een grasveld met hoogstammige fruitbomen. Daaromheen liep een heus wandelpad dat aan de andere kant ook weer omzoomd was met moestuin, bessenbomen en andere planten. Ook stond er een zonneprieel met opening naar de zuidzijde en met daarnaast een kippenhok, vlak tegen het gebouw van het Nut aan. De hele tuin was, behalve door de pastorie zelf, door een hoge stenen muur van de openbare straat afgescheiden, zowel aan de zijde van de Bentstraat als aan de zijde van de Bisschopstraat. Dat bood optimale privacy. De achteruitgang van de pastorietuin was een heuse poort aan de kant van de Bisschopstraat. De tuin liep aan de noordzijde tot het toenmalige Nutsgebouw, de achterburen Dierkes en IJspeert en aan de oostzijde tot het terrein van toen notaris Van Kluyve en boer Spans.

De grens met buurman Spans, die in de voormalige stroopfabriek een veehouderij exploiteerde, werd voor een belangrijk deel gevormd door de buitenmuur van een losstaande, betrekkelijk grote schuur met een zolderverdieping. Dat behoorde ook bij de pastorie en werd door ons gebruikt als kolenhok en fietsenstalling. Behalve een toilet (poepdoos) bevond zich daar ook nog een oude kookpot in. Vanuit de pastorie kon deze schuur via de tuin worden bereikt. Vooral het halen van kolen dat al snel tot mijn taak behoorde, was bij de winterdag een koude bezigheid. Doorgaans gingen er per dag in de winter vijf kitten met kolen door, die dus iedere avond door mij moesten worden klaargezet..

 

 

Mijn ouders werden met mijn zuster Elsbeth, die in 1951 werd geboren, de laatste bewoners van de pastorie aan de Bentstraat. Het pand werd in 1965 afgebroken in verband met de geplande aanleg van een weg. Gelukkig is die weg er dank zij het verzet uit de burgerij, nooit gekomen. Mede daardoor kent het oude deel van Vollenhove nog steeds hetzelfde stratenplan als op de uit de zeventiende eeuw stammende Blaeukaart.

Ik heb de pastorie ervaren als een geweldig huis om in te wonen, zeker gedurende de zomermaanden. Het was ruim en licht. Natuurlijk, in de winter kon het er verschrikkelijk koud zijn. Centrale verwarming was er niet en de grote hoge kamers waren nauwelijks te verwarmen. Doorgaans werd er ‘s winters bij vorst slechts één kamer verwarmd. Daar moest dan alles in gebeuren. Het water in het hele huis werd afgesloten, op het water in het toilet na. In het toilet werden petroleumtoestellen neergezet om bevriezing te voorkomen. Waar niet werd verwarmd stonden de “bloemen” dik op de ramen. Ook gebeurde het nog wel eens dat ondanks alle maatregelen, de waterleiding bevroor.

Het predikantschap van vader

De Hervormde Gemeente Vollenhove kende destijds (ook) twee predikanten, er was een predikant voor “Vollenhove Stad” en één voor “Vollenhove Ambt”. Beide predikanten woonden in 1947 nog in de stad.

De collega ‘s van vader woonden in de pastorie aan de Kerkstraat totdat de pastorie aan de Voorpoort werd gekocht. De pastorie aan de Kerkstraat, werd toen vervolgens jarenlang gebruikt voor kerkelijke activiteiten, zoals catechisaties en vergaderingen. Pas veel later werd in het Ambt voor de predikant van Vollenhove Ambt in Sint Jansklooster een pastorie gebouwd.

Vader “schoof” toen door naar de Voorpoort en maakte zo de weg vrij voor de afbraak van de pastorie aan de Bentstraat met het oog op de aanleg van een weg die er - zoals gezegd - gelukkig nooit gekomen is.

Vader begon als predikant voor het Ambt. Een kleine tien jaar later zou hij predikant van de stad worden. Het predikantschap voor het Ambt bracht met zich mee dat hij daar huisbezoeken moest afleggen, catechisatie geven en verschillende functies bekleden, zoals voorzitter van de School met de Bijbel in Sint Jansklooster en van de Hervormde School op het Heetveld. Mij staat bij dat hij door de week na het avondeten zelden thuis was. Alles deed hij, soms letterlijk bij regen en ontij, aanvankelijk op de fiets. Nu ondenkbaar, toen wist je niet anders.

Toen hij predikant van de stad werd, deed al vrij snel de komst van de TV zijn invloed gelden. Dat ondermijnde het huisbezoek. Ik hoorde hem wel klagen dat wanneer hij op huisbezoek kwam, de TV aan bleef staan, waarna hij maar besloot weer weg te gaan.

In Vollenhove wachtte hem, naast de bij het ambt van predikant behorende activiteiten, ook de taak van provisor van het Hervormd Groot Burgerweeshuis. Het weeshuis beschikte over landerijen die beheerd moesten worden. Wezen werden al lang niet meer in het weeshuis ondergebracht. Het gebouw zelf staat nog steeds in de Kerkstraat, naast het nieuwe huis dat op de speelplaats van de voormalige kleuterschool is gebouwd. Aan de andere kant staat het voormalige burgemeestershuis. De laatste burgemeester die daar woonde was burgemeester Crommelin. Hij was de trotse bezitter van een Citroen traction avant. Met hem ben ik, zes jaar oud, in die auto ooit twee maal naar de Oldenhof gereden om daar bij Haasjes mijn konijn te laten dekken.

In de beginperiode in Vollenhove waren de contacten tussen mijn ouders en de andere hervormde predikant en diens familie zonder meer vriendschappelijk. Ik herinner mij de gezamenlijke wandelingen die wij op De Voorst maakten. Na het vertrek van ds. Bieshaar werd het allemaal wat zakelijker. Met de predikanten van andere kerkgenootschappen in de Stad of op het Ambt waren er in die tijd aanvankelijk nauwelijks of geen contacten, hoewel vader daar zeker voor openstond.

Het leven in de pastorie, met name op de zaterdagen en zondagen, in ieder geval tot ik het ouderlijk huis in de loop van 1964 verliet, verliep volgens een vast stramien.

 

 

De zaterdag stond in het teken van de preek of preken die moesten worden gemaakt. Daar begon vader in de ochtend aan. Tijdens de lunch konden we aan hem merken of het naar wens ging of niet. In de loop van de middag was de rook in zijn studeerkamer vaak te snijden van de vele sigaren die hij dan rookte. Soms kwam er een oorverdovend geluid uit de studeerkamer. Er werd dan een passage geoefend voor de volgende dag.

De ene week had vader op zondag alleen in de ochtend “dienst” in de Grote Kerk. De andere week had hij in de middag “dienst” in het gebouw aan de Molenstraat in Sint Jansklooster en in de avond in de Kleine Kerk in Vollenhove, waar de Hervormde Gemeente toen nog haar diensten hield.

De tocht naar Sint Jansklooster werd, totdat vader de beschikking over een auto kreeg, altijd samen met de organiste, Margje Driezen, per fiets afgelegd. Jarenlang vergezelde ik mijn vader en woonde dan, vanaf het orgel bij Margje, de dienst bij.

Indien vader ‘s ochtends dienst had, kwam koster Brandsma stipt om half tien de koffer met de toga halen met daarop een briefje voor de organist, waarop de psalmen en gezangen stonden voor de dienst.

Tegen de zondagen zag ik altijd op. Van mij werd, toen ik nog op de lagere school zat, verwacht dat ik iedere zondag tenminste eenmaal kerkte. Verder mocht ik aanvankelijk niet “buiten de muren komen“, met uitzondering dus van de gang naar de kerk en de zondagschool. Van zwemmen of fietsen was ook toen geen sprake. Pas later mocht ik na vier uur in de middag naar vriendjes toe, dat veranderde veel.

Voor de zondagsrust werd streng gewaakt. Ik had een voorbeeldfunctie, zo werd mij gezegd. Deze was niet beperkt tot het in acht nemen van de zondagsrust. Zo werd zaterdagsavonds in het Nutsgebouw dansles gegeven. Ik mocht daar absoluut niet naar toe.

Persoonlijke ervaringen

Van onze aankomst in Vollenhove in 1947 herinner ik mij maar weinig meer. Ik weet nog wel dat ik de eerste dag nauwelijks verder dan enkele stappen naar buiten durfde te lopen. In Oudega had je geen straat met huizen dicht op elkaar. In mijn geheugen staat gegrift dat ik vanaf de straat in de verte opvlammend licht zag, dat naar later bleek, vuur was dat oplaaide in de smederij van Spit. Die was toen nog gevestigd aan de Kerkstraat in het pand dat nu helemaal als winkel is ingericht. Ik heb later ook gezien dat daar nog paarden werden beslagen.

In 1947 reden om het uur de bussen nog door Vollenhove om te stoppen op het Kerkplein en aan de Voorpoort. Er was geen riolering; er werden nog “tonnetjes”opgehaald. Vollenhove kende een stadsomroeper, die Jan Bollegien werd genoemd, die op verschillende punten in de stad zijn bel liet rinkelen om dan zijn bericht luidkeels te verkondigen. Doorgaans activiteiten in een van de cafés in de stad. Er was nog een aanzegger, koster Brandsma, die van huis tot huis ging om te vertellen dat iemand was overleden en wanneer de begrafenis zou plaatsvinden. De bakker kwam nog langs evenals de groenteboer. Melkboer Aarsen stond door de week op vaste tijdstippen op verschillende punten in de stad totdat er een kaaswinkel kwam.

Net als generaties Vollenhovenaren voor mij hadden gedaan en na mij nog zouden doen, bezocht ook ik de openbare kleuterschool aan de Kerkstraat, die werd geleid door juffrouw Peereboom. Een groot succes werd het niet. Ik liep daar op een gegeven moment tot twee maal toe weg naar huis toen ik de klas verlaten mocht om “even naar achteren” te gaan.

Wat mij uit die kleuterschoolperiode vooral bijstaat is de “overgang“ van de gemeentesecretarie van het oude, oorspronkelijke gemeentehuis aan het Kerkplein naar de havezate Old Ruitenborg. De leerlingen van alle scholen liepen toen, als feestelijke gebeurtenis, van het oude naar het nieuwe gemeentehuis. Ook wij, leerlingen van de “kippeschoele”, moesten die tocht toen maken. In die periode is er ook nog een film gemaakt van de kleuterschool door een fotograaf uit Zwolle. Mijn ouders hebben die film gezien. Zou die nog ergens zijn?

Na de kleuterschool kwam de lagere school. Ik ging naar de School met de Bijbel aan de Bisschopstraat. Het was een Aprilschool, dat wil zeggen dat de overgang naar de volgende klas in april was, naar Duits voorbeeld. Op een gegeven moment werd het een Septemberschool waardoor we enkele maanden langer in dezelfde klas bleven zitten.

 

 

Voor mij was de meest markante onderwijzer uit die tijd, meester Joustra van klas 5, vanwege de donkere pakken die hij droeg, ook wel “de kraaie” genoemd. Een onderwijzer, toen al, van het oude soort, die je leerde ontleden, rekenen en niet hield van “nieuwigheden”.

Ik maakte in die tijd een aantal hoofdonderwijzers mee, Harmsen, Van Baak en Verbaas. Bij de laatste heb ik in de klas gezeten.

Medio jaren vijftig heeft de hele stad weken open gelegen vanwege de aanleg van de riolering. Dat bood ons de mogelijkheid, toen de buizen hier en daar al gelegd waren, door het gangenstelsel te lopen of zelfs voor een deel met een vlot er doorheen te varen.

Er was ook het groots opgezette feest van ‘600 jaar stad’. Uit die tijd dateert ook het plankier voor de ruïne van Toutenburg waarop toen in het kader van dit feest taferelen uit de geschiedenis van Vollenhove werden uitgebeeld. De festiviteiten werden ondermeer aangekondigd op affiches die waren ontworpen door Wiecher Post. Van de afbeelding, een heraut met een blaasinstrument wordt, zo zag ik, nog steeds gebruik gemaakt.

Verder ging het voetbalveld aan de Voorpoort op de schop om te worden gerenoveerd. Voor ons, junioren van Fulnaho, betekende het dat wij eerst moesten uitwijken naar een heuvelachtig grasveld aan de Halleweg op de Oldenhof en later zelfs naar de Noordoostpolder, ter hoogte van het “eerste duikertje”.

Het beeld zou niet volledig zijn als ik geen melding maakte van de TBC die in die tijd nog steeds in Vollenhove rondwaarde en vele gezinnen trof, soms met fatale afloop. Ik maakte dat van nabij mee. We werden op school jaarlijks op die ziekte gecontroleerd.

Openbaar en Christelijk

Hoewel alle gezindten naar de openbare kleuterschool gingen, trad er daarna spoedig een zeker schisma op tussen de “fienen”, die, zoals ik, de School met de Bijbel bezochten en de “openbaren”, die naar de Openbare School gingen. De scheiding gold voor het hele dagelijkse leven. Dat kon ver gaan.

Zo kochten mijn ouders als “hervormden“ niet bij andere dan hervormde bakkers, kruideniers of slagers. Er werd zelfs de ene week bij bakker A gekocht en de andere week bij bakker B indien beiden hervormd waren. Hetzelfde gold voor de slager en de kruidenier. Kwaliteit of service speelde geen rol. Bij leden van andere kerkgenootschappen werd in beginsel niet gekocht.

Die tegenstelling liep zelfs door in de voetballerij. Van nabij maakte ik mee dat de zaterdagmiddagvoetballers van de voetbalvereniging zich achtergesteld voelden bij de zondagmiddagploeg en daarom een eigen vereniging oprichtten, Fulnaho. Als scholier van de School met de Bijbel werd ik net als alle andere voetballende leerlingen van die school benaderd om lid te worden van deze nieuwe club. Vanwege het feit dat de toenmalige directeur van de melkfabriek voorzitter van deze vereniging was, werden we de melkboys genoemd.

Dan was er nog de Zondagschool. Deze werd ook door “openbaren” bezocht. Uiteraard niet door degenen die van RK huize waren. In mijn tijd werd de Zondagschool geleid door “vader Visscher”, de directeur van het Hervormde bejaardentehuis “Avondlicht” en geassisteerd door een vrijwilligster, mej. Do Spit. Er waren twee klassen, ingedeeld naar leeftijd.

Tegelijkertijd met het verlaten van de lagere school kwam voor iedereen ook een einde aan het bezoek aan de Zondagschool. Deze periode werd afgesloten aan het slot van de kerstviering van de Zondagschool, op Tweede Kerstdag. De schoolverlaters kregen dan allemaal een zangbundel mee die werd uitgereikt door de predikant van Vollenhove.

 

 

Die kerstviering van de Zondagschool vond aanvankelijk plaats in de Kleine Kerk en later in de Grote Kerk met een kerstboom. Dat laatste was aanvankelijk inzet van heftige discussies omdat een kerstboom een niet christelijke oorsprong en derhalve “heidens” is en dus niet thuis hoort in een kerk. Daar was natuurlijk op zichzelf geen speld tussen te krijgen.

Het gebouwtje naast de Kleine Kerk waarin de zondagschool in twee klassen werd gegeven, staat er niet meer. De poort met daarop een stenen bal waar je onderdoor moest lopen om het gebouwtje te bereiken zag ik jaren geleden ineens in het Openluchtmuseum in Enkhuizen terug. Ik had toen weer de neiging op het poortje te klimmen om op de bal te gaan zitten zoals we “vroeger” wel deden.

In 1964 vertrok ik naar Groningen om daar te gaan studeren. Kort daarvoor werd vader tijdens zijn vakantie getroffen door een hartinfarct. Hij zou daar weer redelijk bovenop komen na een lange rustperiode. Daarna verhuisden mijn ouders naar de pastorie aan de Voorpoort en bijna tien jaren later naar een woning aan de Vismarkt. Toen vader afscheid nam woonden mijn ouders reeds daar. Na vaders overlijden zou mijn moeder daar tot op hoge leeftijd blijven wonen.

Met die huizen aan De Voorpoort en de Vismarkt heb ik nooit iets gehad. Iedere keer als ik in Vollenhove kom, doet het me pijn wanneer ik naar de plek kijk waar, op de hoek van de Bisschopstraat en de Bentstraat, ooit de pastorie stond waar ik mijn jeugd doorbracht.

 

Dit verhaal van Fokko Wolgen uit Adorp is eerder verschenen in Kondschap, juni 2013.

Kondschap is het historisch kwartaalbericht van het Cultuur Historisch Centrum Land van Vollenhove.

Trefwoorden:Nederlandse Hervormde pastorie, Bentstraat, Bisschopstraat, Pastorie, Predikant
Personen:Fokko Wolgen, Prof. Van Niftrik
Periode:1947-1965
Locatie:Vollenhove
0 annotaties

Annotaties

Er zijn nog geen annotaties op dit item

Plaats een annotatie

Velden met een zijn verplichte velden.

Soort
Titel
Bericht
Bestand