MijnStadMijnDorp is een project van Historisch Centrum Overijssel en is mede mogelijk gemaakt door de Provincie Overijssel.
Zoeken
Uitgebreid zoeken

Het laatste oorlogsjaar in Noord-West Overijssel

Verhaal

Vanuit het Drentse veengebied voeren we in de herfst van 1944 met de tjalk van mijn ouders, die geladen was met turf, over het Meppeler Diep op weg naar Jutphaas nabij Utrecht. Over de weg langs het vaarwater passeerden ons veel op de vlucht lijkende Duitse troepen. Het gerucht deed de ronde dat het oorlogsgeweld zich verplaatste in noordelijke richting. De Duitsers waren zich aan het terugtrekken om zich elders opnieuw te groeperen. ln een later stadium is deze gebeurtenis als "dolle dinsdag" een eigen leven gaan leiden.

Mijn vader vond het te midden van deze troepenverplaatsingen niet verantwoord om door te varen en besloot om via de Beukersschutsluis het grote vaarwater te verlaten. Enkele weken hebben we ons daarna schuil gehouden in een gebied tussen de sluis en het Belterwiede. Op een zeker moment kregen we een aantal mensen op bezoek die iets met mijn vader te bespreken hadden, waarbij ze mij niet nodig hadden. lk was vijftien jaar en men ging er toen ook al vanuit dat kleine potjes grote oren hadden. Uit de verdere gang van zaken is me de inhoud van deze bespreking toch wel duidelijk geworden.

Het schip met de lading baggerturf werd in beslag genomen en we moesten het, voorzien van documenten met stempels van de plaatselijke overheid en onder begeleiding, naar Wanneperveen varen. We werden naar een sloot gebracht waar onder normale omstandigheden alleen een bok in kon. Op de ankerlier hebben we met vereende krachten het schip als een keg tussen de bomen gewurmd. We lagen nu vlak achter de hooischuur van boer Huisman die ons gastvrijheid verleende om over zijn erf aan en van boord te gaan.

Alle inwoners van Wanneperveen konden toen bij ons terecht voor hun rantsoen brandstof. Uiteraard tegen inlevering van hun brandstofbonnen. Hoe een en ander financieel werd afgewikkeld is me nu niet meer duidelijk. Wel kan ik me herinneren dat de plaatselijke brandstofhandelaar, die dicht bij de Blauwe Hand woonde, er de hand in had. Een plezierige bijkomstigheid was dat bijna alle boeren die hun baggerturfjes kwamen halen, meestal ook wel een stukje spek of iets anders eetbaars voor ons meenamen. Zo kwam "jan splinter door de winter". Inkomsten waren er niet.

Doordat ik in het Haagje naar school ging, had ik al spoedig vriendjes. Met deze vrienden liep ik op een zondagmiddag te wandelen in het dorp. Het was een zwaar bewolkte dag. Onverwachts hoorden we op geringe hoogte een vliegtuig overkomen. Plotseling begon het rondom ons heen te branden: het vliegtuig was aangeschoten en liet zijn lading brandbommen vallen! Een paar brisantbommen kwamen verderop bij de Blauwe Hand terecht. Het toestel maakte daarna een noodlanding in de Beulaker. Naar ik meen zijn er deze middag zes boerderijen en een hotel in vlammen opgegaan. Veel vee dat op stal stond, kon in veiligheid worden gebracht. De rieten daken vormden echter een gretige prooi voor de vlammenzee. Deze gebeurtenis heeft op mij een grote indruk gemaakt. Het hele gebied rond het Belterwiede en de Beulaker was tamelijk veilig voor onderduikers. De Duitsers hadden het gebied onder water laten lopen om het minder toegankelijk te maken voor een eventuele aanval door de geallieerden. De weg naar het dorp stond vaak onder water.

Nadat de laatste tufjes waren uitverkocht - het zal in april geweest zijn - werd ons schip wederom in beslag genomen. Ook weer door de illegaliteit. Deze keer moesten we, naar ik meen, naar Klazinaveen om een lading strobalen in te nemen voor het stoomgemaal nabij Blokzijl. Ook andere schepen die verstopt waren in eendenkooien en rietkragen, werden door de ondergrondse opgespoord en kregen dezelfde opdracht. Wat er op de ladingdocumenten vermeld stond, is me nooit duidelijk geweest. Achter een stoomsleepbootje voeren we met nog vijf andere schepen naar het veengebied waar we de lading stro innamen . Zoals we heengingen, kwamen we ook terug; achter het stoomsleepbootje dat aan de zes schepen een zware sleep had. We vorderden dan ook maar langzaam. De stoker van de sleepboot had er een dagtaak aan, met als gevolg dat de rookpluim al van grote afstand zichtbaar was. We vormden zo een duidelijke schietschijf voor de Engelse jagers die dagelijks in de lucht waren en schoten op alles wat bewoog. Ons liet men evenwel, wonderlijk genoeg, ongemoeid. De hele tocht gebeurde er dan ook gelukkig niets. Ook niet op het grotere water, zoals het Zwarte Water, het Zwolse Diep en het Vollenhovens Kanaal. Elke dag waren de Engelse jagers in de lucht en kon men op afstand de salvo's horen. Dat wij buiten schot bleven, was voor ons een raadsel.

In de kolk van Blokzijl stonden aan stuurboordzijde forse bomen. Daar werden we afgemeerd om ons wat aan het zicht te onttrekken. Daarna werden de schepen één voor één naar het gemaal gebracht om te worden gelost. Naar ik meen is er tijdens het lossen van het eerste schip op 22 februari 1945 een aanval geweest van een of meer Engelse jagers. De materiële schade was zeer beperkt, maar er viel helaas wel een slachtoffer te betreuren.. De man die daarbij het leven liet, ligt begraven op het kerkhof van Giethoorn-Noord, zo heeft men mij verteld.*

Als er een schip gelost was, werd het meteen weer verstopt in een eendenkooi of zo. Ons schip werd verborgen aan de rand van de Otterskooi in de Thijssengracht. Wijzelf werden ondergebracht in houten barakken aan het Steenwijkerdiep, niet ver van Muggenbeet. Op de dag dat we bevrijd werden, werd het ons duidelijk waarom wij niet door de Engelse jagers waren aangevallen. De stoker van de sleepboot had naast zijn drukke werkzaamheden ook nog kans gezien om op een of andere wijze contact te onderhouden met mensen uit het georganiseerd verzet. We hadden de hele reis min of meer een vrijgeleide gehad. Het stro was namelijk bedoeld om, zodra de moffen weg waren, het gemaal weer zijn werk te laten doen om het overtollige water te lozen. We zijn ons er niet van bewust geweest welke rol we toen speelden om dit deel van Nederland weer droge voeten te bezorgen. De stoker van de bewuste sleepboot verdient een grote pluim.

* De man die bij het lossen van het schip met stro door de aanval van de Engelse  jager om het leven kwam, was de 38 jarige Klaas Petter. 

Kondschap maart 1999, Cultuur Historisch Centrum Land van Vollenhove

Auteur:O. Henssen
Trefwoorden:Wanneperveen, Schipper, Turf, Tweede Wereldoorlog, Overijssel WOII, Blokzijl, Sleepboot
Periode:1940-1945
Locatie:Noord-west Overijssel
Digitaliseren Embed
Digitaliseren
Embed